Het was al bijna avond toen ik nog eens langsging in de Karpershoek. Mijn echtgenote was ’s ochtends naar Hilversum gespoord. Bezoekje aan een verre nicht. Gelukkig hoefde ik niet mee dus stelde ik voor om, net zoals vroeger, haar straks op te wachten aan het station.

Er was nog maar weinig volk in de kroeg. Ik dronk een koffietje aan een tafel met zicht op de Prins Hendrikkade toen plots met veel drukte de deur openzwaaide.

“Johnny, een kriekje graag”.

Een kromgebogen oudere man, ik schat midden zeventig, schoot richting bar. Hij hield zijn lange bruine jas aan en legde zijn hoed op zijn koffertje. Het weinige grijze haar vormde een rommelig tapijt boven een nors, afgeleefd gezicht. Terwijl het fruitige gerstenat bruisend zijn weg van de tap richting bollige glas zocht, nam de man plaats op een kruk.

“Nee joh, van een tegenvaller gesproken, hoor.”

De schenker knikte instemmend. Af het nu was uit beleefdheid of terechte bezorgdheid, kon ik vanaf mijn tafeltje niet goed inschatten.

“Ze wilden me wat gunnen, nog eens langskomen op school waar ik zo lang directeur was. Beter niet gedaan. Alles hebben ze veranderd, verdomme.”, mompelde hij.

Hij nam zijn biertje ter hand en zette na één lange doch vloeiende beweging het lege glas terug op de toog.

“Ik was er altijd als eerste, hoor. Iedere schooldag, jaar in jaar uit. Ik hoorde het pas nog zeggen op televisie: elke dag vroeg uit de veren is het beste medicijn tegen depressie. Gelijk hebben ze, maar mij lukt het niet meer. Waarom zou ik ook.”.

Hij staarde vervolgens enkele minuten voor zich uit.

“Ach nee, laat maar. Ik moet morgen der weer vroeg uit.”

En weg was hij. Haastig op zoek naar innerlijke rust. In gedachten wenste ik hem alvast een deugddoende nacht.


 

Geschreven nav de schrijfwedstrijd “Nieuwe Kronkels” waarbij de opdracht bestond om in de voetsporen te treden van de allergrootste columnist (sic), Simon Carmiggelt. Zijn schrijfsels noemden toen nog gewoon cursiefjes, stukjes of -zoals hij ze zelf doopte- kronkels.