Alweer een rotweek op het werk. Ze haatte dat dagelijks pendelen richting hoofdstad. Veel te vroeg opstaan, overvolle treinen, stinkende mensen en dat in combinatie met een ochtendhumeur deed elke dag als vanzelf de mist ingaan. En waarom deed ze zich de moeite eigenlijk nog? Voor een rotjob op een rotkantoor vol met irritante mensen die ze eigenlijk niet kan luchten? Jaren tijdverlies zonder enige zicht op een carrière. Mooi wezen en meelachen met de meest foute kantoortypes die jaar na jaar promotie maken terwijl zij maar op hetzelfde plekje bleef zitten. Het had iets weg van een schijnheilig gedoe.

“Je kan zo aan de slag bij ons als Manager’s Assistant en omdat we het zo goed doen, sta je binnen de kortste keren aan het hoofd van je eigen team”, klonk het alweer een eeuwigheid geleden toen ze jong en ambitieus aan de slag ging. Afdeling Verzekeringen voor een internationale groep. Kansen genoeg op alle mogelijke afdelingen, heette het toen nog.

Steffi was intussen bijna 30 maar het volwassen leven viel zwaar. De sleur van dagelijks werk en het gemis aan de vrijheid begon meer en meer parten te spelen. Verstikkend bijna. Ze wou daar helemaal niet werken. Ze wou niks of niemand. Wilde ze eigenlijk überhaupt iets doen? Het was allemaal burgerlijk saai. Wat wilde ze eigenlijk aanvangen?

En ook eigen beentjes staan leek in het echt stukken moeilijker dan die gezellige onderonsjes in Friends deden uitschijnen. Van knus samenhokken na een dagje werken en zien wat de dag of avond brengt, bleek niets te kloppen. Net zoals die gedroomde hippe flat voorlopig ook helaas niet haalbaar leek. Het werd dan maar tijdelijk een goedkope studio, dichtbij een vieze stationsbuurt op bijna een uur sporen van haar job. Dat het tijdelijke intussen al meer dan zes jaar aan de gang was, hing haar bijna letterlijk de keel uit. En dat alleen zijn, dat viel verdomme zwaar.

Hoe vaak had ze het al niet geprobeerd om die ideale man te vinden. Haar redder, de prins op het witte paard, die ene speciale soulmate. Waarmee ze swingend door het leven zou rock ’n rollen en alles aan zou kunnen. Hij kwam maar niet. Het aantal foute mannen dat ze intussen ook versleten had in een poging om dat beetje gezelschap in te bouwen, was al lang niet meer op twee handen te tellen.

Op het werk voelde ze zich al langer geïsoleerd en ook daarbuiten lukte haar steeds minder goed om normaal te functioneren. Ze zat nu vaker alleen thuis, opgesloten en ver weg van alles en iedereen. Wat verlangde ze vaak terug naar die laatste jaren van het studentenleven. Wild, ongeremd, flierefluitend door het leven dat toen nog meer bestond uit nacht dan dag. Regeltjes waren er toen alleen maar om aan de laars gelapt te worden. Doen en laten wat je wil, geweldig.

De herinneringen aan deze tijd sloegen meestal snel om. Verbittering. Waar zijn ze intussen allemaal, die vriendinnen voor het leven? Vol met plannen en gezworen afspraken waar nooit iets of iemand zou tussenkomen. Ze zouden samen een hippe zaak opstarten en een clan van clevere marketeers vormen die de zakenwereld zou imponeren met hun frisse ideeën.

Niks van dat allemaal. Stuk voor stuk zijn ze gekluisterd aan één of ander jobje dat mijlenver verwijderd lag van hun dromen. Thuis zitten ze als slaafje van hun man met kamers vol jankende kindjes. Verraadsters. Wij gingen zo toch nooit worden?

“Zo ben ik niet en zo zal ik nooit worden”, schreeuwde ze hardop.

Niemand hoorde het. In deze buurt waar avondlijk geschreeuw meer regel dan uitzondering is, viel het niet eens op. Haar ogen werden donkerder en ze nam nog een slok. En nog een paar. En nog één.

De fles vodka die ze namiddag had gekocht was intussen tot de laatste drup leeg. Het was een nieuwe zaterdagavond en alweer een verdere stap richting vernieling.